''Ik wil in volle gemoedsrust sterven en daarvoor moet ik eerst ... ik weet dat het afschuwelijk is wat ik u verteld heb. Tijdens de lange nachten waarin ik op de dood heb liggen wachten, heb ik er steeds naar verlangd om er met een jood over te praten ... en hem om vergeving te vragen.'' Het wordt stil in de kamer, griezelig stil. Ik sta op en kijk naar zijn gevouwen handen. Mijn besluit is genomen. Zonder iets te zeggen ga ik de kamer uit ...Vergeven is iets waarmee we in onze ''sorry-cultuur'' allemaal dagelijks mee te maken krijgen. Met het uitspreken van dat woord denken we er snel vanaf te zijn, en met vervolgens te zeggen dat het niet uitmaakt denkt de ander eveneens het zo maar even op te lossen. Ook ik moet zeggen vaak zo te denken (ik voel me er rot over, maar laat maar zitten, de -ongemeende?- excuses aanvaarden is het makkelijkste), echter: over de zaak van Simon Wiesenthal is mag ik wel zeggen dat ik dit ene woordje niet zo snel zou accepteren ...
Ik denk niet dat een mens het recht en de autoriteit heeft om in naam van iemand anders, die onrecht is aangedaan, te vergeven. Vergeving kan alleen gegeven worden door hen wie onrecht is aangedaan. En deze mensen zijn (dankzij de SS'er zo jong) al dood. Ik sluit me dan ook aan bij wat Simon Wiesenthal gedaan heeft. Aan de ene kant is het mooi dat de SS'er spijt heeft, berouw misschien zelfs, maar na zo veel mensen pijn te hebben gedaan (de gedoden zelf, hun nabestaanden, hun vrienden ...) ben ik van mening dat hij er niet zo makkelijk vanaf hoeft te komen. Hoe ruw het ook mag klinken, hij gaat sowieso dood; laat hem in zijn laatste paar minuten dan maar zelf de pijn van zijn berouw voelen.
Ik ben van het vergeven, dat maakt het makkelijker voor degene die iets vergeven moet worden, maar ook voor mijzelf: voor beiden een bepaalde gemoedsrust. Echter als conclusie: niet alle misdaden mogen wat mij betreft worden vergeven, en dit is er zo een.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten