woensdag 16 mei 2012

Vergeving

In zijn boek “De Zonnebloem” stelt Wiesenthal de vraag of hij de SS-soldaat die hem om vergiffenis vroeg voor zijn wandaden tegenover Joden had moeten geven wat hij vroeg. Een lid van de organisatie die zovelen van zijn verwanten had vermoord of, zoals Wiesenthal dat zelf ook geweest was, mishandeld. Misschien had de soldaat echt berouw. Misschien had hij nooit echt gedacht dat wat hij deed vergeven kon worden, maar durfde hij niet uit te spreken tegen zijn commandanten uit vrees voor vervolging. In ieder geval was hij bang genoeg voor een oordeel, of bewust genoeg van zijn wandaden, dat hij vergiffenis wilde. Had Wiesenthal hem die moeten geven? Had hij dat gekund? Hoewel Wiesenthal mishandeld was door de collega’s van deze man die, naar eigen zeggen, vergelijkbare misdaden heeft begaan, had hij het misschien in zijn hart kunnen vinden om deze man in vrede te laten sterven. Maar was dat wel echte vergeving geweest? Het kan dat deze Wiesenthal zo gefrustreerd was door zijn mishandeling dat hij, toen ten minste, de man werkelijk geen vergeving gunde, of dat hij zozeer in het Joodse denken geloofde dat hij zelf niet kon vergeven voor wat anderen was aangedaan. Voor de SS’er was hij een vertegenwoordiger van alle Joden. Voor hemzelf was hij een enkel mens die mishandeld was, niet eens door de man die hem om vergiffenis vroeg. Toch is dat niet de indruk die zijn verhaal geeft. Het geeft meer de indruk dat hij op dat moment niet kon beslissen of deze man wel een rustige dood verdiende. Als dat zo is, heeft hij zich toch niet over zijn haat heen kunnen zetten, wat alleszins begrijpelijk is.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten